“Een schort draagt ze alleen voor mij” brulde Jan terwijl zij zwijgend met een schaal augurken naar haar nachtdienst liep

Verhalen
Deze vernedering voelt ondraaglijk en onrechtvaardig.

– Emma is tegenwoordig onze specialist in dweilen! – Jan lachte hard en gaf Pieter een knipoog. – Tweeëntwintig jaar op de economische afdeling, en uiteindelijk eindigt ze met een poetsdoek.

Aan tafel barstten ze in gelach uit. Ik bleef in de deuropening van de keuken staan met een schaal augurken in mijn handen. Mijn vingers waren wit geworden van het koude glas.

Vrijdag. Al de vierde vrijdag achter elkaar.

Een half jaar eerder was ik ontslagen. De fabriek waar ik tweeëntwintig jaar begrotingen had doorgerekend, was naar een andere provincie verhuisd. Mij namen ze niet mee: ik was, zoals ze het noemden, “niet toekomstgericht genoeg”. Negenenveertig jaar oud, een diploma economie, zevenentachtig sollicitatiegesprekken — en overal hetzelfde zinnetje: “We nemen nog contact met u op.” Niemand belde terug.

Toen kwam een vriendin met een tip. Een kantoorgebouw in het centrum zocht iemand voor de nachtdienst. Officieel contract, netjes volgens de cao, vierhonderdvijftig euro netto. Binnen twintig minuten had ik ja gezegd.

Jan kwam er een week later achter. Eerst zei hij niets. Maar toen hij met de mannen aan het bier zat, kon hij zich niet meer inhouden.

– Emma, heb je je schort niet vergeten? – riep Pieter, de buurman van beneden.

– Een schort draagt ze alleen voor mij, – Jan brulde het uit, luider dan alle anderen. – Tenminste, als ze in de stemming is. Maar die stemming is er nooit. Ze is moe, zegt ze. Van haar werk, moet je nagaan. Acht uur met een lap over de vloer gaan, dat is geen kattenpis, jongens!

Ik zette de schaal op tafel. Langzaam, zonder te morsen.

– Augurken, – zei ik vlak. – Pak maar, Pieter.

– Kijk nou, die handjes zijn al helemaal ruw geworden, – Jan greep mijn hand vast en hield die aan iedereen voor. – Vroeger nagellak en verzorging, en nu? Schuurpapier.

Anna, Pieters vrouw, proestte achter haar vuist. Ik trok mijn hand los.

– Ik moet over een uur beginnen.

– Ga dan maar, harde werker, – mijn man wuifde alsof hij een hond wegstuurde. – Je dweil wacht. Kom niet te laat, straks trekken ze nog iets van die vierhonderdvijftig euro af.

Ik ging naar de slaapkamer. Uit de kast haalde ik mijn werkkleding: een zwarte broek en een grijs overhemd met een logo erop. Zonder een woord trok ik me om. In mijn hoofd bonsde maar één gedachte: vijfentwintig jaar. Vijfentwintig jaar had ik voor hem gekookt, gewassen, gespaard. Ik had zijn zoon gebaard, zijn moeder uit het ziekenhuis gehaald, zijn vader helpen begraven. En nu maakte hij me, waar iedereen bij zat, belachelijk om een dweil.

Toen ik de gang in liep, hoorde ik uit de keuken nog stemmen.

– Jan, doe nou een beetje normaal. Ze probeert tenminste iets.

– Wat dan? Ik zeg toch niks verkeerds? Iedereen heeft zijn plek. Mijn Emma heeft die van haar gevonden. Een beetje laat, maar goed, ze heeft hem gevonden.

De voordeur klikte achter me dicht. In het trappenhuis hing de geur van sigarettenrook. Ik leunde met mijn voorhoofd tegen de koude metalen brievenbussen en bleef zo een minuut staan. Precies één minuut, langer kon niet, anders miste ik de bus.

Onderweg haalde ik mijn telefoon uit mijn jaszak. Mijn zoon had een smiley gestuurd. Ik antwoordde niet. Ik keek naar mijn weerspiegeling in het donkere raam en dacht: hij vindt het dus echt grappig. Niet eens een beetje. Echt grappig.

Om kwart voor tien kwam ik aan. Kantoorgebouw “Apeldoorn”: achttien verdiepingen, marmer in de hal, beveiligers met portofoons. Ik haalde mijn pas langs de lezer en knikte naar Tim bij de receptie. Hij knikte altijd terug. Een nette jongen, studeerde in deeltijd.

– Goedenavond, Emma. Op de zesde is kamer 203 onder water gezet. Kunt u daar als eerste naartoe?

– Komt in orde.

In het berghok trok ik mijn werkkleding goed, pakte de schoonmaakkar en duwde hem de stille gang op. Overdag liepen hier managers in pakken heen en weer. ’s Nachts waren er alleen de noodlampen en ik.

Acht uur lagen er voor me. En ik dacht: hier lacht tenminste niemand.

De vrijdag daarop nodigde Jan precies dezelfde mensen uit. En Anna kwam weer met Pieter mee.

Voor ik naar mijn werk ging, dekte ik de tafel. Salades, haring onder een laagje biet en mayonaise, iets warms in de oven. Zo had het leven me nu eenmaal opgevoed: als er gasten in huis zijn, hoort er eten op tafel te staan. Zelfs wanneer die gasten vooral komen om jou uit te lachen.

– Kijk eens, Emma verschijnt! – Anna sloeg overdreven haar handen tegen elkaar. – En, hoe gaat het aan het arbeidsfront?

– Prima, – antwoordde ik.

– Is het waar dat jullie daar gouden wc’s hebben? – vroeg Pieter.

– Nee. Gewone. Duitse.

– Hoor je dat, Jan? Duitse! – Pieter stootte mijn man met zijn elleboog aan. – Jouw vrouw schrobt Duitse toiletten. Dat is toch status!

Jan schonk de glaasjes vol.

– Jongens, ik zal eerlijk zijn. Ik heb haar afgeraden dit te doen. Ik zei: Emma, blijf thuis, ik verdien genoeg om ons te onderhouden. Zeshonderdtachtig euro is geen vetpot, maar met z’n tweeën redden we het wel. Maar nee, ze moest zo nodig eigen geld hebben. Nou, nu heeft ze haar eigen geld. Vierhonderdvijftig euro.

– En dan ook nog ’s nachts, – mengde Anna zich er zogenaamd meelevend in. – Emma, wanneer slaap jij eigenlijk?

– Overdag.

– Vreselijk. Ik zou dat niet kunnen.

– Dat hoeft ook niet, – zei ik met een glimlach. – Pieter brengt tenslotte zeshonderd binnen.

Anna kneep haar lippen op elkaar. Pieter verslikte zich bijna.

– Goed, dames, geen politiek aan tafel, – Jan tikte met zijn vork tegen een glas. – Emma, drink er eentje op ons en ga je dan maar klaarmaken. De dweil roept.

Ik dronk. Niet op hen. Op mezelf.

Daarna ging ik mijn spullen pakken.

Die nacht gebeurde er tijdens mijn dienst iets vreemds. Ik was net klaar met mijn ronde.

Bij Wieke Thuis