Suzanne had voorgesteld om nog een paar weken langer te blijven. Of ik de kaartjes misschien kon omboeken? Lucas was helemaal door het dolle heen, zei Sanne: hij was bruin geworden, had eindeloos in zee gezwommen en zich volgestopt met fruit. En zij had het op haar werk ook al geregeld, voegde ze eraan toe.
‘Goed dan,’ zei ik kort.
Vanbinnen trok er op dat moment iets samen, maar ik schoof dat gevoel weg. Misschien was het niets. Misschien was ik gewoon teleurgesteld dat ik hen nog langer moest missen.
Die extra twee weken waren uiteindelijk net zo snel voorbij als de eerste periode. Tegen de tijd dat ze terug zouden komen, had ik het huis helemaal aan kant gemaakt. Ik had boodschappen gedaan, gekookt, zelfs bloemen gekocht. Ik miste mijn zoon verschrikkelijk. En eerlijk gezegd miste ik ook het gewone gezinsleven: de rommel, de gesprekken, de vertrouwde drukte in huis. Zelfs de wasmand en de rondslingerende sokken leken me opeens niet meer zo erg. Ik verlangde naar Sanne, naar haar aanwezigheid, naar warmte, naar alles wat vanzelfsprekend lijkt zolang je het hebt.
Lucas stapte inderdaad stralend binnen. Bruin gezicht, grote ogen, vol verhalen, alsof hij in die weken een stukje groter was geworden. Hij praatte aan één stuk door over het water, het eten, de dagen aan zee.
Maar Sanne… Sanne voelde anders.
Ze keek me nauwelijks aan. Haar antwoorden waren kort. Ze glimlachte bijna niet. Er hing iets afstandelijks om haar heen, iets wat ik niet meteen kon plaatsen. Eerst dacht ik: ze is moe. De reis, de zee, een kind de hele dag om je heen, koffers, gedoe. Geef haar een dag of twee, dacht ik. Thuis komt ze wel weer bij.
Alleen gebeurde dat niet.
Integendeel. Ze trok zich steeds verder terug. Alsof er een glazen wand tussen ons in stond. En ergens diep in mij ging toen een knop om. Er klopte iets niet. Niet een beetje, maar grondig.
De eerste dagen hield ik mijn mond. Ik observeerde haar, probeerde mezelf wijs te maken dat ik spoken zag. Maar hoe langer ik keek, hoe duidelijker het werd: ze ontweek me. Ze wilde niet naast me zitten. Ze raakte me niet aan. Ze was met haar gedachten ergens anders. Dat was geen vermoeidheid meer. Dat was iets anders.
Op een avond zat ik in de woonkamer met mijn telefoon in mijn hand, zonder echt te lezen wat er op het scherm stond. Lucas liep de keuken in, waar Sanne bezig was, en vroeg ineens op zijn gewone kinderlijke toon:
‘Mam, blijft Mark in Zeeland? Komt hij niet naar ons toe?’
Ik weet niet eens meer wat Sanne daarop antwoordde. Haar woorden bereikten me niet. Het enige wat ik voelde, was dat het bloed naar mijn hoofd schoot. Voor ik erover nadacht, stond ik al in de keuken. Sanne stond met haar rug naar me toe bij het aanrecht en deed alsof ze volledig opging in het koken.
‘Wie is die Mark?’ vroeg ik. Mijn stem klonk vlak, maar de spanning zat eronder.
‘Welke Mark?’ probeerde ze zwakjes, zonder zich om te draaien.
‘Die Mark over wie Lucas het net had,’ zei ik harder.
Ze rommelde met een pan, alsof die pan opeens al haar aandacht nodig had.
‘Gewoon… een buurman van Suzanne. Niets bijzonders.’
Op datzelfde moment verstijfde ze plotseling. Ze sloeg een hand voor haar mond, duwde zich haastig langs me heen en rende naar de badkamer.
Toen begonnen de eerste stukken van de puzzel in mijn hoofd op hun plaats te schuiven. Er was iets mis. Heel erg mis.
Ik begon terug te rekenen. Dagen, weken, momenten. Als ze ongeveer vertrokken waren rond het begin van haar menstruatie, en er inmiddels meer dan vijf weken voorbij waren… dan kon zwangerschap niet zomaar uitgesloten worden.
Toen ze terugkwam uit de badkamer, zei Sanne dat het vast door het reizen kwam. Een beetje van slag, ander eten, misschien iets verkeerds gegeten. Vandaar de misselijkheid. Ik ging die avond naar bed met een hoofd vol vragen. Ik wilde haar geloven, maar mijn wantrouwen was al wakker geworden.
De volgende dag liep ik rond alsof er stroom door mijn lijf ging. Op mijn werk kreeg ik niets gedaan. Ik las dezelfde regel drie keer en begreep nog steeds niet wat er stond. Tegen de avond had ik genoeg moed bij elkaar geraapt om het gesprek aan te gaan.
Ik liep de keuken in en vroeg zonder omwegen:
‘Ben je zwanger?’
‘Nee,’ zei ze meteen.
Ze keek me er niet bij aan.
‘Sanne, denk je echt dat ik achterlijk ben?’ vroeg ik. Uit de badkamer had ik de test gepakt die ik had gevonden. Ik hield hem voor haar omhoog. ‘Leg mij dan eens uit waarom hier twee streepjes op staan.’
‘O…’ ontsnapte haar.
Meer kwam er niet uit.
Er viel een stilte tussen ons die steeds zwaarder werd. Alsof er een web om de kamer werd gespannen. Uiteindelijk was ik degene die het niet langer uithield.
‘Sanne,’ zei ik langzaam, ‘zeg het gewoon. Ben je zwanger?’
Ze liet haar blik zakken. Daarna knikte ze, nauwelijks zichtbaar.
‘Ja. En dan?’
Die woorden raakten me harder dan ik had verwacht.
‘Van wie?’ vroeg ik. Ik voelde een ijskoude golf door mijn borst trekken.
‘Van jou natuurlijk. Wat is dat nou voor belachelijke vraag?’ Ze probeerde verontwaardigd te klinken, alsof ik haar onrecht aandeed. Maar haar stem trilde. Dat verraadde haar.
‘Serieus?’ Ik voelde mijn beheersing wegglijden. ‘Dan gaan we even tellen. Twee weken voor jullie vertrokken zijn, is er tussen ons niets gebeurd, want ik zat voor mijn werk weg. Daarna werd je ongesteld. Dat had vlak voor jullie vakantie afgelopen moeten zijn. Jullie zijn vijf weken weggeweest. Vertel mij dan eens, Sanne, hoe jij in hemelsnaam van míj zwanger kunt zijn.’
Mijn woede kroop langzaam omhoog en vulde mijn hele borstkas. De leugen lag er veel te dik bovenop.
