“Hou je mond en haal het niet in je hoofd om in míjn huis de baas te spelen! Ik ga jou echt niet vragen welke verbouwing ik moet doen, en al helemaal niet hoe!” snauwde Wouter terwijl hij met zijn schoen een proefplank besmeurde

Verhalen
Hartverscheurend en bewonderenswaardig: haar spaarzame, dappere hoop.

Hij begreep dat hij deze ronde beschamend had verloren. Tegen haar redeneren had geen zin meer; dat was hem nu pijnlijk duidelijk. Als hij nog iets wilde bereiken, moest hij het anders aanpakken. Lager. Gemener.

De nederlaag was volledig, en juist daarom zo vernederend. Wouter stond nog altijd midden in de kamer, terwijl Sannes koele, zakelijke minachting als koud water om hem heen sloot. Zijn gezicht, daarnet nog rood van razernij, was nu vaal en vlekkerig geworden. Hij was openlijk onderuitgehaald. Het gezag dat hij zichzelf als zogenaamd hoofd van het gezin had aangemeten, was door een paar trefzekere zinnen aan gruzelementen geslagen.

Een ander zou misschien gezwegen hebben. Misschien was hij weggelopen om nog iets van zijn waardigheid te redden. Maar Wouter niet. In zijn hoofd betekende verlies nooit dat het gevecht voorbij was. Het betekende alleen dat hij een ander wapen moest pakken. Een vuiler wapen.

Een paar tellen bleef hij roerloos staan, zijn blik strak op een onzichtbaar punt gericht. Toen haalde hij zonder iets te zeggen zijn telefoon uit de zak van zijn spijkerbroek. Sanne keek hem met argwaan aan. Die beweging was te beheerst. Te doelgericht. Hij gaf zich niet gewonnen. Hij zocht alleen een andere invalshoek.

Wouter ontgrendelde het toestel, bladerde naar een contact en zette de oproep meteen op luidspreker. Een scherp, onaangenaam overgaand geluid vulde de kamer. Sanne bleef hem aankijken, nog niet begrijpend wat hij van plan was.

‘Hé Bas, kerel!’ riep Wouter met overdreven opgewekte stem in de telefoon. Hij keek Sanne recht aan en wendde zijn ogen geen seconde af. In zijn blik glom al het genoegen van iemand die dacht dat hij zijn slag ging slaan. ‘Luister, ik bel even over die Logan waar we naar hadden gekeken. Die grijze, weet je nog? Zet die maar voor ons vast. Ja, serieus. Het geld is geregeld.’

Uit de speaker klonk een verbaasde, vriendschappelijke stem. ‘Echt waar? Heeft Sanne eindelijk toegegeven?’

Wouter barstte in lachen uit, luid genoeg om het hele appartement ermee te vullen.

‘Waar zou ze heen moeten?’ zei hij, terwijl hij Sanne een knipoog gaf. ‘Je weet hoe vrouwen zijn. Eerst een beetje drama maken, en daarna doen ze toch wat de man zegt. Ik heb haar gewoon even rustig uitgelegd hoe het zit. Dus ja, ik heb de mijne overtuigd. Morgen na de lunch komen we langs en regelen we het. Goed, later, we spreken elkaar.’

Hij verbrak de verbinding. Daarna glimlachte hij.

Het was de glimlach van iemand die dacht dat hij zojuist schaakmat had gezet in een smerig spel. Hij had haar woorden niet alleen genegeerd; hij had haar tegenover een getuige neergezet als een machteloze dwaas, als een grillige vrouw die uiteindelijk wel “overtuigd” kon worden.

Hij had haar in een positie willen duwen waarin elk protest van haar zou klinken als klein huiselijk gekibbel dat ze voor buitenstaanders uitsmeerde. Hij rekende erop dat Sanne zou zwijgen. Dat ze zich zou terugtrekken. Dat ze hem niet zou durven te kijk zetten tegenover zijn vriend. Hij dacht dat hij haar klem had gezet.

Daar vergiste hij zich in.

Sanne schreeuwde niet. Ze huilde niet. Ze begon niets uit te leggen en wierp zich ook niet op hem. Haar beweging was soepel, bijna traag, als die van een roofdier dat lang genoeg had gewacht. Ze zette twee stappen naar voren en voordat Wouter kon reageren, trok ze de telefoon uit zijn ontspannen hand. Zijn zelfvoldane lach bleef als een lelijke grimas op zijn gezicht hangen.

Zonder een woord te zeggen ontgrendelde ze het scherm. Haar vingers bewogen snel en beslist over het glas. Ze zocht het laatste gebelde nummer op: Bas. Daarna drukte ze op bellen. Wouter maakte een beweging in haar richting, maar bleef abrupt staan toen hij haar gezicht zag. Dat was niet meer het gezicht van de vrouw die hij dacht te kennen. Het was koud, vreemd, onbereikbaar.

Opnieuw ging de telefoon over. Aan de andere kant werd vrijwel meteen opgenomen.

‘Ja, Wout, wat is er nog?’

Sanne bracht het toestel naar haar mond. Haar stem was helder en kalm, scherp als vrieslucht.

‘Hoi Bas. Met Sanne.’

Aan de lijn viel een korte stilte.

‘Er komt geen auto. Wouter liegt tegen je. Het beste.’

Ze beëindigde het gesprek zonder op antwoord te wachten. Met dezelfde ijzige bedaardheid legde ze de telefoon op de salontafel, naast het staal met het patroon “Arctisch eiken”. De lucht in de kamer leek dikker te worden, kleverig als hars. Ze drukte niet eens op hen; ze sloot zich om hen heen en maakte normaal ademhalen bijna onmogelijk.

Wouter staarde naar haar. Op zijn gezicht was geen woede meer te zien, en ook geen spoor van zelfgenoegzaamheid. Er was iets anders voor in de plaats gekomen. Iets donkers. Iets ouds. Het gezicht van een man die niet alleen verslagen was, maar zichtbaar en onherroepelijk was vernietigd.

De stilte die na het telefoontje neerdaalde, was erger dan geschreeuw had kunnen zijn. Ze was zwaar, tastbaar, en vulde elke hoek van de kamer. Wouter stond erbij alsof de bliksem vlak voor zijn voeten was ingeslagen, starend naar zijn telefoon die op tafel lag.

Bij Wieke Thuis