Deel 1. De klank van een afgesloten ruimte
In de auto hing een mengsel van duur leer en de goedkope, zware geur van Shalimar, waarmee Johanna De Vries, haar schoonmoeder, zich kennelijk van kruin tot schoen had overgoten. Die kleverige zoetheid werd nog eens doorkruist door de walm van een vape, die Sanne vanaf de achterbank stiekem in haar mouw uitblies.
Emma zat achter het stuur en hield haar handen stevig om het leer geklemd. Niet dat haar knokkels wit werden; zulke beelden hoorden thuis in goedkope romans. Haar vingers, gewend aan het millimeterwerk van antieke automaten en torenuurwerken, bleven beheerst op hun plek. Alleen vanbinnen trilde alles in haar van afkeer. Ze was een zeldzame vakvrouw: restaurateur van mechanische muziekwerken. Haar werkelijkheid bestond uit tandwielen, veren, precisie en harmonie. Die van haar man Daan en zijn familie draaide om schijn, namaakgoud en onverzadigbare hebzucht.
Daan zat naast haar op de passagiersstoel en tikte gewichtig op zijn tablet. Hij noemde zichzelf graag “architect van persoonlijk merk” en “coach in de metafysica van succes”. In werkelijkheid leefde hij al drie jaar van Emma’s inkomen en verpakte hij dat als “een fase van energetische oplading vóór de grote sprong”.
‘Emma, je bent de afslag voorbijgereden,’ zei hij achteloos, zonder zelfs maar naar de weg te kijken. ‘Mam wilde nog langs tante Marieke om stekjes op te halen.’

‘We rijden naar het vakantiehuis van jouw moeder, Daan. Dat ligt de andere kant op,’ antwoordde Emma tussen haar tanden door. ‘En mijn hele kofferbak ligt vol gereedschap. Ik ga daar geen vieze bakken aarde bovenop stapelen.’
Vanaf de achterbank klonk een spottend gesnuif.
‘Natuurlijk niet,’ kraste Sanne, met een stem die deed denken aan een ongesmeerde kruiwagen. ‘Jouw stukjes metaal zijn belangrijker dan mama’s tomatenplantjes. Jij bent tenslotte de elite hier. Wat stellen wij gewone stervelingen nou voor?’
‘Sanne, begin nou niet,’ zuchtte Johanna De Vries toneelmatig, terwijl ze aan de grove, smakeloze ketting om haar hals friemelde, plastic dat voor amber moest doorgaan. ‘Emmaatje vindt het nu eenmaal lastig om te begrijpen dat familie betekent dat je elkaar helpt. Zij is bij ons altijd al zo… op zichzelf geweest.’
Emma zweeg. Ze wist precies hoe dit werkte: één woord terug en er kwamen er tien voor in de plaats. De minibus gleed rustig over de weg. Het was geen gewone gezinsauto, maar een speciaal aangepaste wagen met klimaatregeling in de laadruimte, noodzakelijk voor het vervoer van kwetsbare mechanismen die meer waard waren dan al het bezit van Daans familie bij elkaar. Ze had er vandaag alleen mee ingestemd hen mee te nemen omdat ze zelf in de buurt moest zijn, in een aangrenzende villawijk, bij een verzamelaar die wachtte op de restauratie van een mechanische nachtegaal uit de achttiende eeuw.
‘Nu we het toch over helpen hebben,’ zei Daan. Hij legde zijn tablet weg en draaide zich naar haar toe. Op zijn gezicht verscheen die glimlach die Emma niet kon uitstaan: een mengeling van neerbuigende vriendelijkheid en brutale zelfverzekerdheid. ‘Mam, Sanne en ik hebben even overlegd…’
Alsof er een ijskoude naald in haar achterhoofd werd gestoken. Overlegd. Dat woord had in deze familie nog nooit iets goeds aangekondigd.
‘En wat hebben jullie bedacht?’ vroeg Emma, haar blik strak op de weg gericht.
‘Sanne moet kunnen groeien. Ze lanceert binnenkort haar online cursus baarmoederademhaling en daarvoor heeft ze een studio nodig. Jouw atelier in het centrum is daar perfect voor. Het licht, de sfeer, de energie… We dachten dat jij je ijzerwaren wel tijdelijk naar de garage bij het vakantiehuis kon verplaatsen. Dan zetten we de ruimte op naam van Sanne. Alleen voor de start natuurlijk.’
De auto maakte een kleine zwieper. Emma trapte net iets harder op de rem dan nodig was.
Deel 2. Een banket voor aasgieren
‘Wat zei je?’ vroeg ze, in de hoop dat ze het verkeerd had verstaan.
‘Kijk nou niet zo geschrokken,’ mengde Johanna De Vries zich erin, terwijl ze tussen de voorstoelen naar voren boog. Haar gezicht kwam veel te dichtbij; Emma zag de gebarsten poeder in de plooien rond haar mond. ‘Je zit daar toch alleen maar in je eentje weg te kwijnen als een uil. Dat meisje heeft kansen nodig. Een loopbaan! Jij hebt jezelf al bewezen, jij hebt opdrachten, geld… Sanne moet gewoon een duwtje krijgen. En bovendien heeft Daan gezegd dat die ruimte volgens hem niet uitsluitend als jouw terrein gezien hoeft te worden.’
