“Jij kunt hem wel even inwerken, toch? Jij kent de afdeling beter dan wie dan ook” zei Hendrik terwijl hij haar opdroeg de nieuwe senior tendermanager in te werken

Verhalen
Onmisbaar genoemd, tenslotte pijnlijk en onrechtvaardig weggedrukt.

‘Anna, kom even bij me binnen.’

Hendrik zei het zonder zijn blik van zijn telefoon los te maken. Hij keek niet eens op. Ik stond op, trok mijn jasje recht en liep naar zijn kantoor. In de gang hing de geur van koffie uit de automaat: bitter, te donker gebrand, precies zoals altijd tegen lunchtijd.

In zijn kamer zat een jonge man. Smalle stropdas, smartwatch, pak dat eruitzag alsof het die ochtend nog uit de winkel was gekomen. Zesentwintig misschien. Hooguit zevenentwintig. Ik had hem nooit eerder gezien.

‘Maak kennis,’ zei Hendrik, terwijl hij achteroverleunde en met zijn pen op het bureaublad tikte. ‘Mark. Onze nieuwe senior tendermanager. Jij kunt hem wel even inwerken, toch? Jij kent de afdeling beter dan wie dan ook.’

Senior tendermanager. Precies die functie die mij al vier keer was toegezegd. De eerste keer negen jaar geleden, nadat ik een moeilijk contract met RijnSupply had binnengehaald. De tweede keer twee jaar later, na de reorganisatie. De derde keer toen ik in november, drie dagen vóór de boeteclausules zouden ingaan, de levering voor Graniet alsnog had gered. En de vierde keer in januari. “Volgend kwartaal, Anna. Dan echt.”

Mark kwam overeind en stak zijn hand uit. Zijn handpalm was droog, zijn greep stevig, ingestudeerd bijna. Aan alles merkte je dat hij ervan overtuigd was dat die stoel hem toekwam.

‘Aangenaam,’ zei hij. Zijn stem klonk zelfverzekerd, net iets te luid voor zo’n klein kantoor. ‘Hendrik heeft veel over u verteld. Hij zegt dat u hier onmisbaar bent.’

Ik haalde mijn bril van het kettinkje om mijn hals, vouwde de pootjes dicht en keek naar Hendrik. Die draaide zijn pen tussen zijn vingers en deed opvallend zijn best om ergens langs me heen te kijken: naar het raam, of misschien naar de kalender aan de muur.

‘Onmisbaar,’ herhaalde ik. ‘Duidelijk.’

Aan de andere kant van de wand viel in de gang een deur dicht. Iemand van de boekhouding lachte, helder en zorgeloos. Een gewone werkdag. Voor iedereen behalve voor mij.

Op de afdeling wist men allang wie Mark was. De achternaam zei genoeg: De Vries. Dezelfde als Hendrik. Zijn neef, de zoon van zijn oudere zus. Een managementdiploma, een halfjaar stage bij een logistiek bedrijf, en nu dus senior manager. Bovenop negen contracten die samen bijna vierhonderdduizend euro per jaar waard waren.

Drie jaar eerder was ik al naar Hendrik gegaan om die functie rechtstreeks te vragen. Ik had een map meegenomen met cijfers: resultaten, omzet per klant, ontwikkeling over vijf jaar. Hij had erdoorheen gebladerd, geknikt en gezegd: ‘Anna, ik zie het allemaal. Maar we zitten nu midden in een herstructurering. Laten we over een halfjaar opnieuw kijken.’ Een halfjaar later zat ik weer tegenover hem. Toen was het budget nog niet goedgekeurd. Nog een jaar later vroeg ik overplaatsing aan naar een andere afdeling, in de hoop dat mijn werk daar wél op waarde geschat zou worden. Hendrik hield het tegen. Hij kwam naar mijn bureau, ging op de rand zitten en zei: ‘Anna, ik heb je hier nodig. Zonder jou lopen de tenders vast. Heb nog heel even geduld, ik regel het.’ En ik had geduld gehad. Omdat er een hypotheek was. Omdat dit mijn team was. Omdat je op je vijfenveertigste niet zomaar opnieuw begint.

Dertien jaar lang had ik die contracten gedragen. Ik had klanten opgespoord, onderhandelingen gevoerd, leveringsketens opgebouwd en problemen opgelost voordat iemand anders doorhad dat ze bestonden. De helft van de opdrachtgevers belde mijn mobiele nummer in plaats van het kantoor. Dat werkte nu eenmaal sneller. Een partij die om acht uur ’s avonds dreigt mis te lopen, wacht niet keurig tot de volgende ochtend.

Hendrik liet Mark vertrekken en pas toen de deur achter hem dichtviel, boog hij zich iets naar me toe. Zijn stem werd zachter. Hij rook naar eau de cologne, scherp en zoet tegelijk. Dertien jaar kende ik die geur al.

‘Anna, doe nou niet zo. We zijn toch onder elkaar? Mijn zus vroeg het me. Wat moest ik dan zeggen, nee tegen mijn eigen zus? Die jongen is slim, heeft een cum laude diploma. Hij redt zich wel. En jij moet gewoon in de buurt blijven. Laat hem een maandje of twee zien hoe alles werkt, dan kan hij daarna zelfstandig verder.’

Ik zat op de bezoekersstoel. Hard, met versleten bekleding op de zitting. Dertien jaar had ik op die stoel gezeten: bij overleggen, bij evaluaties, bij beloftes.

‘En ik dan?’ vroeg ik.

Hij aarzelde. Daarna maakte hij het bovenste knoopje van zijn overhemd los.

‘Daar komen we wel uit. Je weet toch dat ik je waardeer. Zonder jou kan het hier helemaal niet.’

Vier beloften. En nu: daar komen we wel uit.

‘Prima,’ zei ik. ‘Maar dan wil ik het graag vastleggen. Wat ik hem precies moet laten zien. Op papier.’

Hendrik vertrok zijn gezicht.

‘Waarom nou meteen zo formeel, Anna? We kennen elkaar toch?’

We kennen elkaar. Mensen zeggen dat terwijl ze een neef op de plek van een ander zetten en vervolgens verwachten dat die ander vriendelijk blijft glimlachen.

Ik knikte, stond op en liep terug naar mijn bureau. Daar opende ik de map Contracten. Negen namen. Negen verhalen. Negen ketens die ik vanaf nul had opgebouwd. Bij elk contract stonden mijn eigen aantekeningen: wie uiteindelijk beslist, waar iemand een hekel aan heeft, welke korting men verwacht, op welk tijdstip je het best kunt bellen. Niets daarvan stond in het CRM-systeem. Alles zat in mijn tabellen. En in mijn hoofd.

Een halfjaar eerder had ik mijn hypotheek afgelost. Vervroegd, met de bonus die ik kreeg na het dossier Graniet. Twaalf jaar had ik betaald, maand na maand, en ineens was het klaar. Toen had ik gedacht: nu kan ik eindelijk ademhalen. Nu komt er rust.

Maar die rust zat inmiddels in Hendriks kantoor, met een smalle stropdas en een smartwatch om zijn pols.

Ik sloot de map. Daarna opende ik hem weer. Ik telde opnieuw: negen contracten, vorig jaar goed voor 413.000 euro.

Van mij.

Niet van het bedrijf. Van mij.

Mark begon met de inrichting. Zijn bureau schoof hij naar het raam, want “daar was het licht beter”. Op zijn computer verscheen een nieuwe achtergrond, het logo van een of andere businesscursus. En op de derde dag introduceerde hij een andere manier van rapporteren.

‘Het oude systeem is niet efficiënt,’ verklaarde hij tijdens een kort overleg, alsof hij die conclusie al lang vóór zijn eerste werkdag had getrokken.

Bij Wieke Thuis