‘Raak alsjeblieft niets met je handen aan,’ zei Jan toen we de servieswinkel binnenstapten. ‘Er zit alweer verf onder je nagels.’
Ik liet mijn handen meteen in de zakken van mijn jas verdwijnen.
Hij had gelijk. Er zat echt nog verf. Een smal blauw randje naast mijn duimnagel, dat ik die ochtend over het hoofd had gezien. De avond ervoor was ik tot twee uur ’s nachts bezig geweest met een oude stoel: lak afkrabben, de rugleuning schuren, zoeken naar precies de juiste tint.
Die stoel stond al een jaar of vijftien in onze keuken. Jan wilde hem allang bij het grofvuil zetten, maar ik hield van de ronde leuning die zo prettig onder mijn handpalm viel.
‘Ik was het er wel af,’ mompelde ik.

‘Je zou beter eens een fatsoenlijke hobby zoeken. Een volwassen vrouw die nog steeds met stukjes hout loopt te spelen.’
De verkoopster bij de vitrinekast deed alsof ze niets had gehoord.
Ik draaide me naar de stapels borden toe.
Die dag werd ik tweeënveertig. We waren een cadeau voor mij aan het uitzoeken.
Nu begrijp ik dat het helemaal niet om die stoel ging. En ook niet om de verf.
Jan schaamde zich al veel langer voor mij.
Ik werkte als boekhoudster in een kleine huisartsenpraktijk, droeg schoenen waarin je normaal kon lopen en wist nooit goed mee te praten over dure restaurants. Als iemand ons keukentafeltje prees, kon ik enthousiast beginnen te vertellen hoe ik de oude laklaag eraf had gehaald.
Op zulke momenten viel Jan me steevast in de rede.
‘Onze Emma is een autodidactische restaurateur,’ zei hij dan. ‘Geef haar vrij spel en ze sleept nog de halve kringloop mee naar huis.’
De visite lachte. Ik glimlachte mee, al raakte ik na zulke avonden mijn gereedschap soms wekenlang niet aan.
Daarna begon hij naar allerlei zakelijke diners te gaan. Hij kocht nieuwe overhemden. En hij vroeg me hem na zeven uur niet meer te bellen: vergaderingen liepen uit, zei hij, en het was ongemakkelijk.
Op een dag stopte ik zijn broek in de wasmachine. Zoals altijd controleerde ik de zakken. Uit één ervan haalde ik een dubbelgevouwen papiertje.
Een boodschappenlijst.
Avocado’s, garnalen, blauwaderkaas, witte wijn.
Onderaan stond in een rond, onbekend handschrift: “En mijn favoriete peren. Vergeet ze alsjeblieft niet.”
Met dat briefje in mijn hand bleef ik op de rand van het bad zitten, tot Jan thuiskwam.
Hij keek eerst naar mij, toen naar het papier, en slaakte een vermoeide zucht.
Hij schrok niet eens.
‘We hadden dit allang moeten bespreken.’
Het gesprek duurde hooguit twintig minuten.
Ze heette Sophie. Ze hadden elkaar een halfjaar eerder leren kennen. Bij haar voelde alles licht, zei hij. Zij begreep wat hij van het leven verwachtte. En wij waren, zo bleek, al jaren vreemden voor elkaar geworden.
‘Jij hebt het alleen nooit willen zien,’ zei hij.
Om een reden die ik nog steeds niet begrijp, vroeg ik:
‘Wat voor peren?’
‘Wat?’
‘Welke peren vindt ze lekker?’
Zijn gezicht vertrok.
‘Emma, begin nou niet.’
Daarna vroeg ik niets meer.
Onze zoon studeerde toen in een andere stad. Toen hij hoorde van de scheiding, wilde hij meteen naar huis komen, maar ik hield hem tegen.
‘Je hebt tentamens, Bram. Ik red me wel.’
Dat redden ging op een vreemde manier.
Overdag kon ik gewoon werken, brood halen, de energierekening betalen. En ’s avonds vond ik dan opeens zijn oude sjaal achter in de kast en zakte ik midden in de gang op de vloer.
Ik schaamde me ervoor dat het zo’n pijn deed.
Vooral nadat Jan langskwam om de laatste spullen op te halen en bij het weggaan zei:
‘Zorg er in elk geval voor dat je het appartement niet helemaal laat dichtslibben. Wie zou hier anders nog binnen willen komen?’
Ik stond bij de deur, met een doos vol van zijn papieren tegen mijn buik geklemd.
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Precies wat ik zeg. Je denkt toch niet dat je de rest van je leven alleen blijft? Al moet je dat natuurlijk zelf weten.’
