We gingen aan de keukentafel zitten, midden tussen de verhuisdozen die nog niet waren uitgepakt.
‘Elke keer dat je moeder kritiek op me had, werd er van mij verwacht dat ik begrip toonde,’ begon ik. ‘Als ze onze spullen verplaatste, moest ik dankbaar zijn voor haar hulp. En zodra ik zei dat ik dat niet prettig vond, was ík ineens degene die ruzie zocht.’
Wouter liet zijn duim langzaam over een beschadiging in het tafelblad glijden.
‘Ik dacht dat het zo rustig bleef,’ zei hij.
‘Voor jou misschien.’ Mijn stem brak bijna. ‘Ik heb daarna vaak in de badkamer staan huilen.’
Hij keek op.
Deze keer nam hij het niet voor haar op.
‘Dat heb ik niet gezien,’ zei hij zacht. ‘Het spijt me.’
Die middag bleven de gordijnroedes onaangeroerd liggen.
In plaats daarvan pakten we de leningsovereenkomst erbij. We rekenden uit welk bedrag nog openstond en liepen onze uitgaven opnieuw door. Saskia meteen volledig terugbetalen konden we niet. Maar we wilden de aflossing wel versnellen, zonder onszelf financieel klem te zetten.
Daarna stuurde Wouter zijn moeder een bericht. Hij bevestigde wanneer de volgende termijn zou komen en schreef dat bezoeken voortaan van tevoren moesten worden afgesproken.
Drie dagen bleef het stil.
Op de vierde dag belde Sanne. Saskia had met de toekomstige huurders gesproken en de verhuur teruggedraaid.
‘Ze is nog steeds kwaad,’ zei Sanne. ‘Maar haar koffers staan weer in haar eigen slaapkamer.’
In de weken daarna ging Wouter alleen bij zijn moeder langs.
Ik had afstand nodig. En voor het eerst voelde ik niet de drang om me daarvoor te verontschuldigen.
Zes weken later verscheen er een bericht op mijn telefoon.
Mag ik zondag een uurtje langskomen? Ik neem appeltaart mee.
Ik las de woorden twee keer.
Het was geen excuus. Nog niet. Maar het was wel een vraag.
Ik antwoordde dat drie uur goed uitkwam.
Saskia kwam precies op tijd. In haar handen hield ze een taartdoos.
In de gang bleef ze staan.
‘Waar kan ik deze neerzetten?’
‘Op de keukentafel,’ zei ik.
Haar blik gleed naar de bank. Het gele kussen lag er nog steeds. Daarboven hing inmiddels onze trouwfoto.
Ze maakte er geen opmerking over.
Bij de koffie zei ze dat zij zelf andere gordijnen zou hebben gekozen.
Wouter antwoordde rustig: ‘Wij vinden deze mooi.’
Saskia roerde in haar kopje. Even later vroeg ze wat we in de tuin wilden planten.
Toen ze vertrok, bleef ze naast me staan.
‘Die ochtend heb ik heel lelijk tegen je gedaan.’
Ik zei niets en wachtte.
‘Dat had ik niet mogen doen,’ voegde ze eraan toe.
‘Nee,’ zei ik. ‘Dat had je niet mogen doen.’
Langzaam knikte ze.
Later die avond zette ik het slaapkamerraam open. Koele lucht streek over het dekbed en buiten bewogen de dunne takken van ons kleine appelboompje in de wind.
Wouter kwam binnen en pakte mijn hand.
‘Waar denk je aan?’
Ik keek om me heen. Naar onze boeken. Naar onze kleren over de stoel. Naar de planten die we samen hadden uitgezocht.
‘Dat het hier weer voelt als een plek waar ik thuis kan zijn.’
In de gang was het smalle spoor van de koffer nog altijd te zien.
De volgende dag kochten we reparatiewas.
Wouter knielde op de vloer, ik hield de lamp vast, en samen werkten we net zolang aan de beschadigde plek tot je hem bijna niet meer kon ontdekken.
