“Omdat ik hier kom wonen. Wouter is ervan op de hoogte.” zei ze koeltjes terwijl ik met mijn koffiemok sprakeloos naar de lichte kras op onze pas gelegde houten vloer staarde

Verhalen
Hartverscheurende arrogantie voelde bitter onaanvaardbaar.

Ik hoorde het geratel van haar koffer al voordat ik mijn schoonmoeder in beeld kreeg.

Daarna volgde een kort, akelig schurend geluid.

Een van de wieltjes had een kras getrokken over onze pas gelegde houten vloer. Met mijn koffiemok in mijn hand stond ik in de gang, starend naar de lichte streep die ze had achtergelaten.

Precies een week woonden we nu in dit huis.

Op het aanrecht stonden nog dichte verhuisdozen te wachten, de gordijnen hingen over de rugleuning van een stoel en aan de muur in de woonkamer ontbrak zelfs ons trouwportret nog.

De avond ervoor had ik tegen mijn man gezegd dat het voor het eerst echt voelde alsof we thuis waren.

Nu stond zijn moeder voor me, schoof haar zonnebril omhoog in haar haar en keek op haar horloge.

‘Voor elf uur hebben jullie jullie slaapkamer leeg. Vanaf nu neem ik hier de leiding over. Hoe sneller jullie dat aanvaarden, hoe makkelijker het wordt.’

Ik wachtte op een glimlach.

Die kwam niet.

Achter haar stond een taxichauffeur met een tweede koffer en een lange kledinghoes over zijn arm.

‘Waar kan dit heen?’ vroeg hij.

‘Naar de slaap…’ begon zij.

‘Zet het hier maar naast de deur, alstublieft,’ viel ik haar in de rede.

Toen de chauffeur vertrokken was, trok Saskia haar jas uit en hield die naar me op. Ik pakte hem niet aan.

‘De kamer aan de straatkant is goed genoeg voor jullie,’ deelde ze mee. ‘Ik heb rust nodig. Met mijn lichte slaap komt alleen de slaapkamer aan de tuinzijde in aanmerking.’

Heel beheerst zette ik mijn mok neer op het smalle kastje in de hal.

‘Waarom heb je je bagage meegenomen?’

Ze keek me aan alsof ik naar de meest vanzelfsprekende zaak ter wereld vroeg.

‘Omdat ik hier kom wonen. Wouter is ervan op de hoogte.’

Die ene zin kwam harder aan dan haar hele verschijning in onze gang.

Wouter was naar de bouwmarkt. Een half uur eerder had hij me nog gekust en beloofd dat hij nu eindelijk de gordijnroedes zou ophangen. Over een verhuizing van zijn moeder had hij met geen woord gerept.

‘Waarvan is hij precies op de hoogte?’

‘Dat ik niet langer alleen wil wonen.’

Ze pakte het handvat van haar koffer en wilde langs me heen lopen.

‘Eerst praten we,’ zei ik.

Saskia hield abrupt stil.

‘Pardon?’

‘Je gaat nu niet onze slaapkamer binnen.’

Mijn stem klonk steviger dan ik van mezelf gewend was. In zes jaar huwelijk had ik haar zelden zo rechtstreeks tegengesproken.

Meestal had ik mijn mond gehouden. Wanneer ze mijn eten afkraakte. Wanneer ze zei dat Wouter er moe uitzag omdat ik niet goed genoeg voor hem zorgde. Wanneer ze tijdens bezoekjes onze kasten opnieuw indeelde alsof ze haar eigen huis binnenstapte.

Mijn man had dan altijd gezegd: ‘Je weet toch hoe ze is. Trek het je niet zo aan.’

Maar deze keer ging het niet om een opmerking aan tafel of een verschoven stapel handdoeken. Dit ging om ons bed, onze kasten, onze deur die we ’s avonds achter ons dichttrokken.

Ik belde hem.

‘Ik heb de juiste pluggen gevonden,’ zei hij bij wijze van begroeting.

‘Je moeder staat hier met twee koffers in de gang. Ze wil bij ons komen wonen en eist dat wij vóór elf uur onze slaapkamer ontruimen.’

Aan de andere kant hoorde ik winkelwagens ratelen en een stem door de omroepinstallatie.

Toen vroeg hij: ‘Ze eist wat?’

‘Volgens haar weet jij ervan.’

‘Ik heb haar uitgenodigd voor het zondagse eten. Verder niets. Ik kom meteen.’

Bij Wieke Thuis