Dwars over een stapel dozen lagen gordijnroedes, alsof iemand ze daar haastig had neergegooid en daarna nooit meer had aangeraakt.
Van een werkkamer was eigenlijk nauwelijks nog iets te herkennen.
Ik zette het raam open, draaide mijn haar bijeen en bond het vast. Daarna ging ik aan de slag.
Niet omdat Karin het recht had om mijn zaterdag in te vullen.
Ik was alleen zo uitgeput door al die voortdurende spanningen, dat zelfs deze overvolle kamer minder zwaar voelde dan weer een nieuwe ruzie.
Tegen de middag had ik al twee grote zakken gevuld met gescheurde verpakkingen, kapotte spullen en kleine rommel waar niemand nog iets aan had. De kleding legde ik apart om weg te brengen naar een goed doel. Hendriks boeken zette ik één voor één voorzichtig op een plank die ik eerst had vrijgemaakt.
Daarna kwamen de papieren.
De onderste lade van het bureau wilde maar een paar centimeter open. Ik zakte op mijn knieën, stak mijn hand erachter en voelde iets hards.
Toen ik de lade behoedzaam een stukje optilde, gleed er een plat metalen doosje naar voren en viel met een doffe tik op de vloer.
Op het deksel zat een vergeeld etiket.
‘Voor Tobias.’
Ik bleef roerloos zitten.
In het doosje lagen een dichtgeplakte envelop, een oud spaarboekje en verschillende bankafschriften.
De brief legde ik ongeopend naast me neer.
Op het bovenste afschrift stond Karins naam.
Daaronder stond een bedrag dat ik onmiddellijk herkende.
Negenduizend euro.
Precies dat bedrag hadden Tobias en ik drie jaar eerder geleend, omdat zijn moeder dringend geld nodig zou hebben gehad voor het dak. Ze had toen beweerd dat bij de volgende stevige regenbui het water rechtstreeks de slaapkamer in zou lopen.
Die lening betaalden we nog steeds af.
Maar het papier dat ik nu in mijn hand hield, stamde van vóór die tijd. Hendrik had het geld al voor zijn overlijden naar Karins rekening overgemaakt.
Bij de omschrijving stond: ‘Dakrenovatie – eindbetaling.’
Ik liet me langzaam op de vloer zakken.
Er moest vast een uitleg zijn.
Misschien was het dak later opnieuw beschadigd geraakt. Misschien hadden die twee bedragen helemaal niets met elkaar te maken. Misschien zag ik iets over het hoofd.
Ik zocht verder.
In een map vond ik de factuur van de dakdekker. Het adres stond erop, de werkzaamheden waren gespecificeerd en ook het volledige bedrag werd vermeld. Daarachter zat een betalingsbewijs.
Er zaten zelfs foto’s bij, vermoedelijk gemaakt tijdens de werkzaamheden.
Alles was afgerond. Alles was volledig betaald. En dat allemaal lang voordat Karin huilend bij ons had aangeklopt om hulp.
Ik zag die avond weer voor me.
Ze had aan onze keukentafel gezeten, een zakdoek tussen haar vingers verfrommeld, en gezegd dat ze sinds Hendriks dood overal alleen voor stond. Tobias was de volgende ochtend al naar de bank gegaan.
Behalve die lening hadden we haar ook nog een deel van ons spaargeld overgemaakt. Geld dat we eigenlijk hadden gereserveerd voor onze eigen woning.
Onze vakantie hadden we geschrapt.
Een paar maanden later had ik mijn auto verkocht, zodat onze financiële buffer niet helemaal zou verdwijnen.
Niet lang daarna had Karin ineens nieuwe meubels in de woonkamer staan.
‘Een koopje, op afbetaling,’ had ze toen gezegd.
Ik pakte mijn telefoon.
Toen Tobias opnam, vroeg ik: ‘Kun je naar huis komen?’
Zijn stem veranderde meteen. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Ik heb papieren gevonden in de kamer van je vader. Ik denk dat je die zelf moet zien.’
Veertig minuten later stond hij in de deuropening, nog in zijn werkkleding.
Ik reikte hem het metalen doosje aan.
Eerst bekeek hij de overschrijvingen. Daarna pakte hij de envelop en streek met zijn duim over de naam die erop stond.
‘Dit is papa’s handschrift.’
Hij maakte de brief open en ging zitten.
Ik keek toe hoe zijn ogen regel voor regel over het papier gleden. Bij de tweede alinea slikte hij hoorbaar. Toen hij aan het einde kwam, begon hij alles nog een keer vanaf het begin te lezen.
