Zijn stem zakte een toon.
‘Weet uw schoondochter eigenlijk dat u het huis wilt verkopen?’
Daarna bleef het akelig lang stil.
‘Dat gaat haar niets aan,’ zei Anna uiteindelijk. ‘Het huis is van mij.’
De gymtas gleed uit mijn handen en viel op de vloer.
Die avond stelde ik geen vragen. Ik wachtte tot Sanne sliep, zette mijn laptop op de keukentafel en opende de map waarin ik al twee jaar lang alle grote uitgaven bewaarde.
Door mijn werk als boekhouder had ik nooit kunnen verdragen dat geldzaken nergens vastlagen. Van elke serieuze betaling had ik een bewijs, een factuur, een bankafschrift of op zijn minst een bericht.
De dakrenovatie had €12.800 gekost.
Voor het vernieuwen van de elektra, inclusief een nieuwe meterkast en deels nieuwe bedrading, was €6.450 betaald.
De badkamer, die na een gesprongen leiding opnieuw betegeld moest worden, kwam uit op €4.100.
De nieuwe cv-ketel met alle bijbehorende werkzaamheden kostte €5.350.
Daarbovenop kwamen nog de nieuwe ramen, het herstellen van de vochtige muur en een reeks kleinere bouwkundige klussen. Ook daar waren duizenden euro’s in verdwenen.
Alle grote bedragen had ik via de bank overgemaakt. De facturen stonden keurig opgeslagen.
Toen ik alles bij elkaar optelde, bleef ik een hele tijd naar het scherm staren.
€36.700.
Zoveel had ik in twee jaar tijd in Anna’s huis gestoken.
En dan had ik het nog niet eens over de boodschappen, de energierekeningen, haar medicijnen of alle kleine uitgaven die vanzelf op mijn bord waren beland omdat we onder één dak woonden.
Dit waren alleen de aantoonbare, grote verbouwingen.
Een aanzienlijk deel van dat geld kwam uit de spaarpot die ik eigenlijk voor Sanne had willen bewaren.
De volgende ochtend zei ik tegen Anna dat we moesten praten.
‘Kan dat niet vanavond?’ vroeg ze, zonder me aan te kijken.
‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Ik wil het nu.’
We gingen aan de keukentafel zitten.
‘Ben je van plan het huis te verkopen?’
Haar blik schoot naar het raam.
‘Wie zegt dat?’
‘De man die hier al twee keer is geweest.’
‘Wat ik met mijn eigendom doe, bepaal ik zelf.’
‘Dat ontken ik niet. Maar Sanne en ik wonen hier ook.’
‘En dan?’ Ze haalde haar schouders op. ‘Dan zoeken jullie toch iets anders?’
Ze zei het alsof het ging om een ander merk koffie kopen.
‘Anna, jij hebt ons gevraagd hierheen te komen. Ik heb enorm veel geld in dit huis gestoken omdat jij zei dat het later voor Sanne zou zijn.’
‘Verdraai mijn woorden niet,’ beet ze me toe. ‘Ik heb gezegd dat ze het ooit zou kunnen erven. Niet dat ik het morgen op haar naam zou zetten.’
‘Waarom wil je verkopen?’
Ze antwoordde niet.
Ik stelde de vraag opnieuw. En nog een keer.
Toen schoof ze haar stoel naar achteren en stond op.
‘Omdat ik er genoeg van heb dat iedereen op mijn nek leeft!’
Die woorden kwamen harder aan dan een klap.
‘Iedereen?’
‘Ja, iedereen. Jij ook. En dat kind van je. Jullie zitten hier, nemen het hele huis over en dan durf jij mij ook nog ter verantwoording te roepen.’
Op dat moment dacht ik voor het eerst serieus dat het misschien niet alleen om geld ging.
Anna was de afgelopen maanden veranderd. Eerst was ze blij geweest als Sanne trots haar tekeningen uit school liet zien. Nu mopperde ze dat er overal kinderspullen lagen.
Vroeger keken we op zondagmiddag samen oude Nederlandse films. De laatste tijd trok ze zich meestal terug op haar kamer en hing ze eindeloos aan de telefoon.
Een keer hoorde ik haar tegen iemand zeggen:
‘Ik kan niets ondernemen zolang zij hier nog zijn.’
Toen dacht ik dat ze met een vriendin over mij klaagde.
Later begreep ik dat ze inderdaad over ons praatte, maar niet met een vriendin.
De week daarna maakte ik een afspraak bij een advocaat in Nijmegen.
Ik wilde Anna niet meteen voor de rechter slepen. Ik wilde alleen weten wat er met mijn geld zou gebeuren als ze het huis echt verkocht.
De advocaat heette Sophie De Vries. Ze nam de tijd om mijn papieren door te nemen: facturen, bankafschriften, screenshots, berichten.
‘De facturen en overboekingen vormen in elk geval een goed begin,’ zei ze. ‘Maar het feit dat u de werkzaamheden hebt betaald, betekent niet automatisch dat u elk bedrag één op één kunt terugvorderen. Belangrijk is onder welke afspraken die investeringen zijn gedaan.’
‘Er staat niets op papier in de vorm van een contract.’
‘Zijn er berichten?’
Die waren er.
Heel veel zelfs.
Anna had me bijvoorbeeld in mei 2024 geschreven:
“Eva, dat geld voor het dak komt natuurlijk goed. Wat je nu in het huis steekt, vergeet ik niet.”
En later, in een ander bericht:
“Schrijf de ketel ook op, anders missen we straks iets bij de afrekening.”
Sophie las de gesprekken aandachtig door. Af en toe maakte ze een notitie.
‘Dit kan van belang zijn,’ zei ze uiteindelijk. ‘Maar we moeten goed bekijken hoe een eventuele vordering juridisch onderbouwd kan worden. Als verkoop inderdaad aan de orde is, zou ik adviseren om vóór die tijd een schriftelijke regeling voor te stellen.’
Toen ik haar kantoor verliet, voelde ik voor het eerst sinds dagen weer een beetje grond onder mijn voeten. Misschien kon ik Sanne’s toekomst toch nog beschermen.
Intussen werd mijn schoonmoeder met de dag ongeduldiger.
Op een donderdagmiddag kwam ik thuis en zag ik in de hal twee paar onbekende schoenen staan.
Anna stond in de woonkamer met een echtpaar van middelbare leeftijd.
‘Dit is de kamer op het zuiden,’ hoorde ik haar uitleggen. ‘Heel licht, en u kijkt zo de tuin in.’
De man had een meetlint in zijn hand.
De vrouw stond bij Sanne’s boekenkast en liet haar ogen over de plankjes gaan.
‘Woont hier nu iemand?’ vroeg ze.
Toen pas merkte Anna dat ik in de deuropening stond.
‘Op dit moment wel,’ zei ze. ‘Maar dat is binnenkort opgelost.’
De vrouw glimlachte ongemakkelijk.
Ik niet.
‘Goedemiddag,’ zei ik kalm. ‘Over de verkoop van dit huis zijn nog niet alle zaken duidelijk. Ik wil u vragen daar rekening mee te houden.’
Anna keek me aan met een blik die ik nog nooit bij haar had gezien.
Zodra de bezoekers weg waren, sloeg ze de voordeur met een knal dicht.
‘Hoe durfde je?’
‘Wat precies?’
‘Je hebt ze weggejaagd!’
‘Ik heb alleen de waarheid gezegd.’
‘Jij hebt hier niets te beslissen.’
‘Ik heb ook niets beslist. Maar ik ga niet doen alsof Sanne en ik onzichtbaar zijn.’
Ze was inmiddels zo kwaad dat haar mond trilde.
‘Daan zou nooit zo tegen mij hebben gesproken.’
Bij het horen van de naam van mijn man viel er een stilte.
‘Daan zou ook niet hebben toegestaan dat zijn dochter in onzekerheid moest leven,’ zei ik zacht.
Haar gezicht verstrakte.
‘Waag het niet mijn zoon tegen mij te gebruiken, zelfs niet nu hij dood is.’
Die nacht deed ik nauwelijks een oog dicht.
De volgende ochtend zei Sanne iets waardoor mijn angst alleen maar groter werd.
‘Mama, oma zei dat ik misschien binnenkort een nieuwe opa krijg.’
Ik bleef midden in de keuken staan.
‘Wat zeg je?’
‘Een meneer die haar steeds belt. Ze zei dat hij een groot huis heeft. En dat het daar rustig is.’
Ik vroeg haar wanneer ze dat had gehoord.
‘Gisteren. Oma dacht dat ik al sliep.’
Ik wilde Sanne niet verder uithoren. Ze was een kind, geen getuige.
Over Anna’s privéleven wilde ik niet oordelen.
