In de hal stonden schoenen die van niemand van ons konden zijn.
En in een van de slaapkamers lag de vloer bezaaid met kinderspeelgoed.
‘Wie is hier geweest?’ vroeg Bram.
Marieke kwam achter ons aan naar binnen.
‘Gewoon wat mensen.’
‘Wat voor mensen?’
‘Ach, Bram, doe niet zo moeilijk. Dat doet er toch niet toe.’
Maar Bram liep zonder verder iets te zeggen naar het oude bureau van zijn oma. Hij trok een lade open.
Leeg.
Daarna opende hij de volgende.
Ook leeg.
‘Waar zijn de papieren?’
Marieke keek hem aan alsof ze niet begreep waar hij het over had.
‘Welke papieren bedoel je?’
‘De documenten van oma. De spullen die hier lagen.’
‘Misschien heb je die zelf meegenomen.’
‘Nee.’
Bram werd ineens opvallend kalm.
‘Gisteren lagen ze hier nog.’
Op dat moment verscheen Daan in de deuropening.
‘Waarom ben je daar eigenlijk zo naar op zoek?’
Bram draaide zich naar hem toe.
‘Omdat ik wil weten waarom jullie in mijn huis hebben ingebroken.’
Daan sloeg zijn armen over elkaar.
‘Je maakt het groter dan het is.’
‘Groter dan het is? Je hebt mijn slot vernield.’
‘Omdat we een sleutel nodig hadden!’
‘Dan had je mij kunnen bellen.’
Daan schudde zijn hoofd, alsof Bram degene was die onredelijk deed.
‘Je doet nu net alsof wij vreemden zijn.’
Bram bleef hem een paar tellen zwijgend aankijken.
‘Misschien wordt het tijd dat jullie je daar dan ook naar gaan gedragen.’
Daan kleurde rood.
Marieke stapte snel tussen hen in.
‘Nu is het genoeg.’
Bram bleef echter doodstil staan.
‘Nee, mam. Het is nog lang niet genoeg.’
Ik keek ondertussen nauwlettend naar Daan. Iets aan zijn houding klopte niet. Toen zag ik het.
Bij de trap stonden dozen.
Niet eentje.
Niet twee.
Minstens tien.
Ik liep er langzaam naartoe. Op een van de dozen zat een label geplakt. Daarop stond Daans naam.
Ik keek Bram aan.
‘Doe die deur open.’
Hij fronste.
‘Welke deur?’
‘De kamer boven.’
We gingen de trap op. Toen Bram boven de deur opendeed, bleef hij abrupt staan, alsof iemand hem tegenhield.
De hele kamer stond vol.
Dozen met kleding.
Speelgoed.
Keukenspullen.
Een kinderbedje.
Een televisie.
Zelfs ingelijste familiefoto’s stonden al tegen de muur op de grond.
Dit was geen logeerpartij.
Dit was een verhuizing.
Daan kwam achter ons de trap op.
‘Ik wilde het jullie eigenlijk nog uitleggen.’
Bram draaide zich langzaam naar hem om.
‘Er valt hier niets meer uit te leggen, Daan. Jij bent bezig hier in te trekken.’
‘Alleen tijdelijk.’
‘Waarom?’
Daan zei niets.
Marieke gaf in zijn plaats antwoord.
‘Hij heeft zijn appartement verkocht.’
Bram staarde haar aan.
‘Wat zeg je?’
‘Twee weken geleden.’
‘En waar woont hij nu dan?’
‘Bij ons.’
Bram zijn gezicht verstrakte.
‘Dus jullie waren gewoon van plan om mijn huis in te nemen.’
Daan keek naar de vloer.
‘We hadden geen andere keuze.’
‘En daarom hebben jullie mijn slot opengebroken?’
Er kwam geen antwoord.
‘Daarom hebben jullie twaalf mensen uitgenodigd?’
Weer stilte.
‘En daarom staat er buiten een kinderbad?’
Daan mompelde iets binnensmonds.
‘We wilden het hier gewoon een beetje gezellig maken.’
Ik kon nauwelijks bevatten wat ik hoorde.
‘Waarom hebben jullie dan tegen ons gezegd dat we samen zouden komen opruimen?’
Marieke keek me aan. Haar stem klonk niet eens beschaamd.
‘Omdat we wisten dat Bram anders nee zou zeggen.’
Die zin kwam harder binnen dan al het andere.
Bram bleef een hele tijd zwijgen. Toen draaide hij zich om en liep naar buiten.
Ik ging achter hem aan.
‘Bram.’
Onder de oude walnotenboom bleef hij staan.
‘Ik wist dat er iets niet klopte,’ zei hij zacht.
