“Alleen wij tweeën” zei hij, terwijl er al minstens zes auto’s voor het huis stonden

Verhalen
Een schrijnende, onwerkelijke stilte vol onrechtvaardigheid.

Op vrijdagavond plofte mijn man naast me op de bank neer.

Hij zei het op zo’n achteloze toon dat het net leek alsof hij alleen maar opmerkte dat we de volgende ochtend nog brood en koffie moesten halen.

‘Morgen rijden we naar het huis van mijn grootouders,’ zei hij. ‘Het wordt tijd dat we daar eindelijk eens beginnen met opruimen.’

Ik legde mijn telefoon opzij en keek hem aan.

‘Prima. Hoe laat wil je vertrekken?’

‘Om negen uur. Alleen wij tweeën.’

Daarna begon hij op te sommen wat er allemaal moest gebeuren. De oude meubels moesten worden nagekeken, de kamers moesten worden schoongemaakt en we moesten bepalen welke spullen we wilden bewaren en wat weg kon.

Een paar weken eerder had mijn man, Bram, het huis van zijn grootouders geërfd.

Na het overlijden van zijn oma was duidelijk geworden dat zij hem in haar testament als enige erfgenaam had aangewezen.

Het huis stond aan de rand van een klein dorp. Achter het pand lag een ruime tuin met een oude walnotenboom, en daarnaast stond een stoffige garage die al jaren niet meer echt gebruikt leek te zijn.

Sinds de erfenis officieel was afgehandeld, was ik zelf nog niet binnen geweest.

Bram had me meerdere keren verteld dat het huis voorlopig leegstond. We hadden zelfs al voorzichtig gefantaseerd over een nieuwe keuken en over de mogelijkheid om er later een soort weekendhuis van te maken.

Daarom stapte ik de volgende ochtend zonder enige argwaan bij hem in de auto.

Onderweg maakten we plannen. Misschien zouden we de vloeren vervangen. Misschien kwam er een klein terras. Misschien zouden we er op een dag zelfs hele zomerweken doorbrengen.

Maar zodra we de straat in reden, viel ons gesprek stil.

Voor het huis stonden minstens zes auto’s geparkeerd.

Ik draaide mijn hoofd naar mijn man.

‘Verwacht jij iemand?’

Bram haalde onmiddellijk zijn voet van het gaspedaal.

‘Nee,’ zei hij langzaam. ‘Helemaal niemand.’

Hoe dichter we bij het huis kwamen, hoe duidelijker het werd dat er iets niet klopte.

Het tuinhek stond wagenwijd open.

En bij de voordeur stond zijn jongere broer Daan, met een gereedschapskist in zijn hand.

Toen wij uitstapten, keek Daan onze kant op.

Hij leek niet in het minst verbaasd ons te zien.

Integendeel zelfs.

‘Daar zijn jullie eindelijk!’ riep hij. ‘Ik dacht al dat jullie niet meer zouden komen.’

Bram bleef midden op het pad staan.

‘Daan, wat doe jij hier?’

Zijn broer zette een brede grijns op.

‘Ik help een beetje mee.’

‘Waarmee dan?’

Daan knikte naar de tuin.

‘We zijn alles aan het klaarmaken voor de barbecue.’

Een seconde lang dacht ik dat ik hem verkeerd had verstaan.

‘Welke barbecue?’

Daan keek me aan alsof mijn vraag nergens op sloeg.

‘Die van zondag natuurlijk. Mam heeft de hele familie uitgenodigd.’

Bram zijn gezicht verstrakte meteen.

‘Welke familie?’

‘Nou, iedereen. Twaalf man. Met de kinderen erbij.’

Langzaam draaide Bram zich naar mij om.

Daarna keek hij weer naar zijn broer.

‘Mijn moeder heeft twaalf mensen uitgenodigd in dit huis?’

Op dat moment ging de voordeur open.

Zijn moeder, Marieke, kwam naar buiten. In haar ene hand hield ze een theedoek, en op haar gezicht stond een stralende glimlach.

‘Jullie zijn er al! Mooi zo. We waren net aan het bedenken waar we de barbecue het beste kunnen neerzetten.’

Bram staarde haar aan.

‘Mam, wat is dit?’

Marieke trok haar wenkbrauwen op.

‘Wat bedoel je?’

‘Waarom lopen hier zoveel mensen rond?’

‘Omdat het huis al weken leegstaat,’ antwoordde ze kalm. ‘Het zou toch onzin zijn om het niet voor de familie te gebruiken.’

Bij Wieke Thuis