Ik keek naar Bram.
Zijn gezicht was niet meer hetzelfde als een paar tellen eerder. Hij oogde niet woedend. Eerder uitgeput. Tot op het bot moe.
‘Sophie,’ zei ik zo kalm mogelijk, ‘Bram is een volwassen man.’
‘Dat weet ik.’
‘Waarom praat je dan over hem alsof hij niet in staat is zelf keuzes te maken?’
‘Omdat hij dat wél kon voordat hij jou leerde kennen.’
Na die zin viel er een stilte die bijna tastbaar werd. Een paar seconden lang zei niemand iets. Toen leunde Sophie achterover in haar stoel.
‘Laten we het simpel houden,’ zei ze. ‘Na vanavond hoor jij niet meer bij onze familie.’
Ik verstijfde.
Niet omdat het me onverwacht pijn deed. Maar omdat ik niet kon bevatten dat ze dit werkelijk uitsprak waar twaalf mensen bij zaten.
Mark, Brams vader, keek op.
‘Sophie…’
‘Hou jij je erbuiten,’ beet ze hem toe.
Mijn hand lag al op de rugleuning van mijn stoel. Ik had besloten op te staan, iedereen voor het eten te bedanken en naar huis te gaan. Ik wilde geen scène maken. Ik wilde niet huilen. En ik wilde al helemaal niet smeken om door iemand als familie te worden gezien.
Maar voordat ik ook maar kon bewegen, schoof naast me een stoel schrapend naar achteren.
Bram stond op.
Niet ik.
Hij.
Hij pakte zijn jasje van de stoel.
‘Goed,’ zei hij.
Heel even gleed er iets van voldoening over Sophies gezicht. Ze dacht dat hij mij naar buiten zou brengen. Misschien dacht ze zelfs dat hij daarna gewoon terug zou komen.
‘Bram,’ begon ze.
‘Als Emma geen deel uitmaakt van jouw familie,’ zei hij, ‘dan ik ook niet.’
Sophies trekken verstrakten.
‘Doe niet zo belachelijk.’
‘Ik ben bloedserieus.’
‘Zij is je vrouw. Ik ben je moeder.’
‘Precies.’
Bram keek langzaam de tafel rond.
‘En toch is zij de enige hier van wie jij denkt dat je haar zonder gevolgen kunt vernederen.’
‘Ik verneder niemand.’
Bram lachte kort. Niet vrolijk. Bitter.
‘Je hebt haar net, waar iedereen bij zat, verteld dat ze niet langer bij de familie hoort.’
‘Daar heb ik mijn redenen voor.’
‘Die vijfduizend euro?’
Meerdere hoofden schoten tegelijk omhoog.
Sophie werd bleek.
‘Dat gaat niemand iets aan.’
‘Daarnet wilde je anders alles openlijk bespreken.’
Lisa zei zacht: ‘Welke vijfduizend euro?’
Sophie keek haar snel aan.
‘Daar hebben we het nu niet over.’
‘Volgens mij juist wel,’ zei Bram.
Ik legde mijn vingers even op zijn arm.
‘Kom. Laten we gaan.’
Maar hij schudde zijn hoofd. Niet uit drift. Er kwam iets anders naar boven, iets wat al veel langer onder de oppervlakte had gelegen.
‘Mijn moeder heeft ons vijfduizend euro gevraagd voor de verbouwing van het huis in Noordwijk,’ zei hij. ‘Ik heb nee gezegd. Ik. Niet Emma.’
Lisa legde haar lepel neer.
‘Tegen mij zei je dat Bram en Emma niets wilden bijdragen omdat Emma het tegenhield.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Jawel.’
Sophies ogen flitsten.
‘Lisa, bemoei je hier niet mee.’
‘Ik ben er al bij betrokken. Ik heb tweeduizend euro overgemaakt.’
Toen draaide Mark zich langzaam naar Sophie toe.
‘Tweeduizend?’
Zijn stem klonk ineens anders.
‘Jij zei dat Lisa zevenhonderdvijftig euro had gegeven.’
Sophie zweeg.
En op dat moment gebeurde er iets merkwaardigs. De hele richting van het gesprek kantelde. Tot dan toe hadden alle blikken op mij gerust. Nu keek iedereen naar Sophie.
‘Waarom heb je tegen papa gezegd dat ik maar zevenhonderdvijftig euro had betaald?’ vroeg Lisa.
‘Ik weet niet meer precies wat ik gezegd heb.’
‘Ik wel,’ antwoordde Mark.
Zijn stem was laag.
‘Ik weet het nog heel precies.’
Sophie schoof geërgerd haar stoel naar achteren en stond op.
‘Het is werkelijk absurd dat jullie hier zo’n punt van maken.’
‘Waar is dat geld?’ vroeg Mark.
‘Welk geld?’
‘Lisa’s tweeduizend euro.’
‘Voor de verbouwing.’
‘Welke verbouwing?’
Sophie gaf geen antwoord.
Mark leunde achterover, zonder zijn blik van haar af te wenden.
‘Sophie, de aannemer vertelde me vorige week dat hij nog geen cent voorschot van ons heeft ontvangen.’
Mijn maag trok samen.
Dat wist ik ook niet.
Sophie keek de tafel rond. Haar zelfverzekerde houding begon scheuren te vertonen.
‘Ik heb het nog niet overgemaakt.’
‘Waar is het dan?’
‘Op mijn rekening.’
‘Laat maar zien.’
‘Mark, maak er geen circus van.’
‘Jij hebt twaalf mensen bij elkaar gezet om van Emma een circus te maken.’
Niemand verroerde zich.
