Toen mijn vrouw die woorden uitsprak, leek zelfs het zachte gezoem van het koffiezetapparaat plotseling oorverdovend.
In de deuropening van de keuken stonden zes mensen achter elkaar. Mijn zwager Bram hield nog altijd een halfvol glas wijn vast. Zijn vrouw Sophie klemde haar jas tegen zich aan, hoewel het buiten een warme avond begin september was. Onze buurman Daan keek naar mij alsof hij verwachtte dat ik eindelijk iets zou zeggen.
Maar ik zweeg.
Niet omdat ik het met mijn vrouw eens was.
Ik zweeg omdat ook ik inmiddels had begrepen dat iemand ons de afgelopen drie weken doelbewust had voorgelogen.

En die iemand zat op dat moment aan onze eettafel, zenuwachtig plukkend aan de mouw van haar roze vest.
Mijn moeder.
‘Emma, denk goed na over wat je zegt,’ zei ze uiteindelijk. ‘Je hoeft toch geen scène te maken waar gasten bij zijn.’
Emma lachte.
Niet hard. Eén korte, droge lach.
‘Waar gasten bij zijn?’
Daarna keek ze mij aan.
Die blik vergeet ik nooit meer.
We waren elf jaar getrouwd, maar zo had ik haar nog nooit zien kijken. Ze was niet razend. Ze leek niet eens gekwetst.
Ze was kalm op een manier die geen weg terug meer toeliet.
‘Mark,’ zei ze, ‘zeg alsjeblieft tegen je moeder dat ze haar spullen moet pakken.’
Mijn moeder draaide zich meteen naar mij toe.
‘Dat meen je toch niet serieus?’
En eigenlijk begon alles pas daar.
Drie weken eerder had mijn moeder me gebeld met de mededeling dat er in haar appartement een leiding was gesprongen.
Ze woonde in Amsterdam-Zuid, in een oud flatgebouw van vier verdiepingen, waar de leidingen waarschijnlijk net zo oud waren als het pand zelf. Volgens haar was er water uit de badkamer van de bovenburen gekomen en waren er op twee plekken vochtplekken in haar plafond ontstaan.
‘Twee weken,’ zei ze. ‘Misschien drie. Tot alles droog is en ze het kunnen herstellen.’
Emma en ik woonden in Delft, in een opgeknapt familiehuis uit de jaren zeventig. We hadden een logeerkamer, al gebruikte Emma die meestal als werkruimte. Ze maakte interieurvisualisaties vanuit huis en werkte vaak door tot in de avond.
Toen ik haar vroeg of mijn moeder tijdelijk bij ons kon intrekken, antwoordde Emma alleen:
‘Natuurlijk. Als het echt maar om een paar weken gaat.’
Achteraf bleek dat ene woordje, “als”, veel belangrijker dan ik toen had beseft.
Mijn moeder, Anna, stond de volgende dag voor de deur met twee koffers.
Op de derde dag had ze al een plank in een van de keukenkastjes opnieuw ingedeeld.
Op dag vijf kocht ze een eigen handdoekenrekje voor in de badkamer.
Op de zevende dag liet ze vallen dat de kleur van de muren in de logeerkamer nogal “benauwend” was en dat een lichtere tint het geheel veel aangenamer zou maken.
Emma glimlachte dan.
Maar ik kende die glimlach.
‘Je moeder begint zich hier te installeren,’ zei ze op een avond in de slaapkamer.
‘Ze verveelt zich gewoon.’
‘Mark, vandaag heeft ze de tuinman gebeld om te vragen wat het in het voorjaar zou kosten om de lavendel naast het terras eruit te halen.’
‘Ze houdt niet van lavendel.’
Emma keek me strak aan.
‘Maar ik wel.’
De volgende dag vroeg ik mijn moeder wanneer de reparaties in haar appartement zouden beginnen.
‘Volgende week,’ zei ze.
Een week later gaf ze precies hetzelfde antwoord.
Intussen doken er steeds meer spullen van haar in ons huis op.
Eerst alleen een doos met boeken.
Daarna een keukenmachine.
Vervolgens een oude naaimachine.
‘Waarom heb je dat allemaal meegenomen als je binnenkort toch teruggaat?’ vroeg ik.
‘Ik wilde niet dat de schilders het zouden viesmaken.’
Het klonk logisch.
Tenminste, toen nog.
Op de achttiende dag belde Emma me terwijl ik aan het werk was.
‘Hoe laat ben je thuis?’
‘Rond zes uur. Hoezo?’
‘Je moeder heeft voor zaterdag acht mensen uitgenodigd om te komen eten.’
‘Wat?’
‘Ze zei dat we een familiebijeenkomst houden.’
‘Bij ons?’
‘Volgens haar is het inmiddels gewoon makkelijker hier, omdat het huis groter is.’
Die avond kreeg ik ruzie met mijn moeder.
Of althans, dat dacht ik.
‘Je kunt niet zomaar mensen in ons huis uitnodigen zonder het eerst aan ons te vragen.’
‘Bram en zijn gezin zijn familie.’
‘Dat verandert niets.’
‘Waarom maken jullie hier zo’n enorm probleem van?’ vroeg ze. ‘Emma is toch de hele dag thuis.’
Mijn vrouw was op dat moment bezig bij de vaatwasser.
