Dat deed ze bij ons thuis.
Bij Sophie.
Zelfs bij tante Maria was ze dingen gaan meenemen.
‘Dus jij hebt gewoon spullen van anderen weggehaald?’ vroeg Pieter, nog altijd zichtbaar verbijsterd.
Anna huilde inmiddels onbeheerst.
‘Iedereen bewaart ook zoveel! Overal ligt van alles. Ik wilde alleen maar helpen.’
Toen kwam Sophie, die ondertussen ook was gearriveerd, met één zin waardoor de hele kamer stilviel.
‘Mam, ik heb dat bedrag twee dagen later alweer naar je teruggestort.’
Anna verstijfde.
‘Wat zeg je?’
‘Ik zei toch dat we het niet nodig hadden. Ik heb het teruggeboekt.’
Hendrik keek haar meteen strak aan.
‘Waar is dat geld dan gebleven?’
Alle kleur trok uit Anna’s gezicht.
Dat was het moment waarop alles pas echt kantelde.
Het geld was er niet meer.
Een halfjaar eerder was Anna ingestapt in een zogenaamd veilige zakelijke kans van een kennis. Iets met een webshop voor handgemaakte cosmetica.
Eerst had ze er vijfhonderd euro in gestoken.
Daarna nog eens achthonderd.
Toen er verlies werd geleden, had ze opnieuw geld bijgelegd, omdat haar was verteld dat het alleen om een tijdelijk liquiditeitsprobleem ging.
Tegen de tijd dat ze eindelijk begreep dat het hele project in feite was ingestort, was ze bijna zesentwintighonderd euro kwijt.
En dat had ze voor Hendrik verzwegen.
Daarom was ze begonnen met spullen meenemen.
Niet voor Sophie.
Niet omdat ze zo graag “wilde helpen”.
Maar omdat ze in paniek was geraakt.
Met kleine dingen uit de huizen van familieleden probeerde ze het gat te dichten dat ze zelf had geslagen.
Mijn horloge was het eerste voorwerp dat echt waarde had.
De bontjas zou de volgende zijn geweest.
Ze had die zogenaamd aan Sophie gegeven, omdat ze van plan was haar later over te halen hem te verkopen.
Dat bekende ze uiteindelijk zelf.
Ik schreeuwde niet.
Misschien was dat nog wel het vreemdste van alles.
Ik was er simpelweg te moe voor.
De volgende dag gingen Pieter en ik naar het pandjeshuis.
Het horloge was nog niet doorverkocht.
We betaalden het bedrag dat nodig was om het terug te krijgen, plus alle bijkomende kosten.
Anna heeft ons dat in drie maanden terugbetaald.
Niet als cadeautje.
Niet onder het mom van: zo lossen we dat binnen de familie wel op.
Voor elke euro werd iets op papier gezet.
Pieter stond daarop.
De bontjas heb ik sindsdien nooit meer gedragen.
Niet omdat Anna hem had aangeraakt.
Maar omdat ik, zodra ik ernaar kijk, niet meer aan Kerstmis denk.
Ik denk aan dat ene ogenblik waarop ik voor het eerst werkelijk besefte hoe ver iemand kan gaan wanneer iedereen jarenlang alles goedpraat met: “zo is ze nu eenmaal”.
Een halfjaar lang zag ik Anna nauwelijks.
Pieter ging af en toe nog bij zijn ouders langs.
Ik hield hem niet tegen.
Ik heb nooit gewild dat hij moest kiezen tussen mij en zijn moeder.
Maar ik maakte wel duidelijk dat Anna voorlopig alleen bij ons over de vloer mocht komen als wij zelf thuis waren.
Een sleutel kreeg ze nooit meer.
De kerst daarna vierden we bij Sophie en Wouter.
Anna kwam later binnen dan de rest.
Ze had niets bij zich, behalve een klein papieren tasje.
Ze ging naast me zitten.
Zeker tien minuten zeiden we allebei geen woord.
Toen haalde ze uit het tasje een bruin leren doosje tevoorschijn.
Het leek bijna op het oude horlogekistje van mijn grootvader.
‘Ik heb dit bij een antiquair gevonden,’ zei ze zacht.
Ik pakte het niet meteen aan.
‘Waarom heb je het gekocht?’
‘Omdat het oude doosje beschadigd is geraakt in het pandjeshuis.’
Dat wist ik.
Een van de hoeken was opengebarsten.
Anna keek naar haar handen.
‘Ik heb het niet meegebracht omdat ik verwacht dat je me vergeeft.’
Ik zweeg.
‘Alleen omdat ik eindelijk iets heb begrepen.’
‘Wat dan?’
Ze keek me aan.
‘Dat ik mijn hele leven heb gedacht dat familie betekent dat je overal recht op hebt. Op andermans geld. Op andermans tijd. Op andermans huis. Op andermans spullen.’
Ik zei niets terug.
‘Maar het is precies andersom,’ ging ze verder. ‘Juist bij familie zou je nog voorzichtiger moeten omgaan met alles wat niet van jou is.’
Dat was de eerste zin in maanden die ik niet meteen wilde verbeteren.
Ik nam het doosje van haar aan.
‘Dank je.’
We vielen elkaar niet in de armen.
Ook was niet ineens alles opgelost.
Maar later, toen we thuiskwamen, trok Pieter in de hal zijn jas uit en vroeg:
‘Denk je dat je haar ooit weer kunt vertrouwen?’
Ik legde mijn sleutels in het schaaltje bij de deur.
‘Misschien.’
‘Wanneer?’
Ik keek hem aan.
‘Als daar geen sleutel meer voor nodig is.’
Eerst begreep Pieter niet wat ik bedoelde.
Daarna glimlachte hij.
En die avond haalde ik voor het eerst in lange tijd het horloge van mijn grootvader weer tevoorschijn.
Ik legde het in het nieuwe doosje.
Daarna schoof ik het terug in dezelfde lade.
Alleen zat er nu ook een slot op de deur van onze slaapkamer.
