Pieter en ik waren op dat moment al elf jaar samen. Zeven daarvan waren we getrouwd.
We woonden in Amsterdam, in Amsterdam-Zuid, in een appartement van vierenzeventig vierkante meter dat we nog vóór ons huwelijk samen hadden gekocht.
We hadden er allebei geld in gestoken.
Ik iets meer dan hij, omdat ik van mijn oma een kleine studio in Zaanstad had geërfd. Die had ik verkocht, en met dat bedrag konden we het grootste deel van de eigen inleg betalen.
Pieter had daar nooit moeilijk over gedaan.
Anna wel.
Vanaf de eerste dag leek zij het huis te beschouwen alsof het eigenlijk bezit was van Pieters familie, en alsof ik er alleen maar bij was ingetrokken.
In het begin ging het om kleine dingen.
Ze zette de planten anders neer.
Ze verving mijn theedoeken door andere.
Een keer nam ze onze blender mee naar Sophie, omdat wij hem volgens haar “toch niet elke dag gebruikten”.
Een andere keer gaf ze dekens uit onze logeerkamer aan een familielid te leen.
En telkens zei ze hetzelfde:
‘Doe niet zo moeilijk, we zijn toch familie.’
Pieter lachte het dan weg.
En ik wilde niet van ieder kleinigheidje een ruzie maken.
Dat was mijn fout.
Na het kerstdiner bracht Sophie de bontmantel terug.
‘Het spijt me echt,’ zei ze. ‘Mam zei gisteren dat ze een verrassing voor me had gekocht.’
‘Ik weet het.’
‘Ik had geen idee dat hij van jou was.’
‘Dat geloof ik.’
Aan haar gezicht kon ik zien dat ze zich oprecht ongemakkelijk voelde. Met Sophie had ik eigenlijk nooit echte problemen gehad. Ze was tweeëndertig, had twee kleine kinderen, was altijd aan het rennen, en haar moeder probeerde over haar leven net zo graag de baas te spelen als over dat van ons.
Anna stuurde Pieter onderweg naar huis een lang bericht.
Hij liet het me niet lezen.
Dat hoefde ook niet.
Ik zag genoeg aan zijn gezicht terwijl hij de tekst doornam.
‘Ze schrijft zeker dat jij haar hebt vernederd,’ zei ik.
Pieter keek op.
‘Hoe weet je dat?’
‘Omdat ik haar ken.’
Een paar tellen bleef hij stil.
‘Volgens haar heb jij er een scène van gemaakt.’
Ik lachte kort.
‘Ik heb één zin gezegd.’
‘Dat weet ik.’
‘En jij?’
Hij zuchtte.
‘Ik weet ook dat ze te ver is gegaan.’
‘Niet alleen te ver.’
Pieter keek me onderzoekend aan.
‘Wat bedoel je?’
‘Waar heeft ze die mantel gevonden?’
Daar had hij niet meteen een antwoord op.
De jas hing niet in de gang.
Ik bewaarde hem in een kledinghoes, in de kast naast onze slaapkamer.
Dat betekende dat Anna niet gewoon even ons appartement was binnengelopen.
Ze was naar het slaapgedeelte gegaan.
Ze had de kast geopend.
Ze had de hoes gepakt.
Ze had de mantel eruit gehaald.
En ze had hem meegenomen.
De volgende ochtend belde ik een slotenmaker.
Pieter protesteerde niet.
Diezelfde middag zaten er twee nieuwe sloten op de deur.
Eén sleutel had ik.
De andere had Pieter.
Meer niet.
Ik dacht dat daarmee de zaak klaar was.
Maar drie dagen later gebeurde er iets waardoor alles opnieuw begon.
Na mijn werk ging ik even bij Sophie langs, omdat mijn trommel voor kerstkoekjes nog bij haar stond.
Zij stond in de keuken koffie te zetten.
Toen zag ik op een plank een witte keramieken vaas staan.
‘Waar komt die vandaan?’ vroeg ik.
Sophie draaide zich om.
‘Mam heeft die gebracht.’
‘Wanneer?’
‘Volgens mij ergens in november.’
Die vaas was van mij.
Hij was niet kostbaar. Een paar tientjes, hooguit dertig euro. Maar hij was uit onze woonkamer verdwenen.
Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik hem waarschijnlijk had laten vallen en dat ik dat was vergeten.
‘Waarom vraag je dat?’ zei Sophie.
‘Omdat die ook van mij is.’
Ze verstijfde.
‘Dat meen je niet.’
‘Jawel.’
Nu lachte zij ook niet meer.
‘Mam zei dat hij bij jullie alleen maar stof stond te vangen.’
‘En ik dacht dat hij kapot was.’
Sophie ging langzaam zitten.
‘Wacht eens.’
Ze pakte haar telefoon.
‘Wat ga je doen?’
‘Ik moet iets opzoeken.’
Ze scrolde door haar foto’s. Even later hield ze het scherm naar me toe.
De foto was in de zomer gemaakt, bij hen thuis, op het terras.
Op de achtergrond, over een rieten stoel, lag een donkergroene plaid.
Ook die was van ons.
‘Die heeft zij ook meegenomen,’ zei Sophie zacht.
Mijn maag trok samen.
‘Wanneer?’
‘Geen idee. In het voorjaar misschien?’
Toen ik thuiskwam, was ik in mijn hoofd al bezig met een inventaris.
Een onderdeel van de keukenmachine.
Een staande lamp uit de werkkamer.
Twee sierkussens.
Een oude verzilverde schaal.
Een gereedschapskist met spullen van Pieter.
Een ongeopende parfum die ik voor mijn verjaardag had gekregen.
Kleine dingen.
Los van elkaar waren ze bijna belachelijk.
Maar bij elkaar waren ze dat niet meer.
Pieter kwam rond tien uur ’s avonds thuis.
Ik legde de lijst voor hem neer.
‘Dit is allemaal weg.’
Hij las hem van boven naar beneden.
‘Die lamp staat toch in de berging?’
‘Nee.’
Zijn blik zakte verder over het papier en bleef hangen bij de gereedschapskist.
