Langzaam sloeg ik mijn ogen op. Mijn man, Jan, hield midden in de beweging op met het snijden van zijn vlees. Zijn zus, Emma, zat als versteend aan tafel; haar vork bleef ergens halverwege tussen bord en mond in de lucht hangen.
Pieter, Emma’s echtgenoot, keek eerst naar Maria en daarna naar mij. Het was zondag.
We zaten met z’n allen rond de eettafel en deden ons best om te genieten van een familielunch die, tot ongeveer een halve minuut eerder, opvallend rustig was verlopen. Ik had gebraden kip gemaakt met aardappelen, daarbij een grote schaal salade en verschillende groenten.
Maria had gebak meegenomen. Emma en Pieter waren binnengekomen met een fles wijn.
En ik had de verschrikkelijke vergissing begaan een kassabon op het aanrecht te laten liggen.

Maria vond hem.
En uiteraard had ze hem gelezen.
‘Pardon?’ vroeg ik.
Maria tikte met haar vinger op het bonnetje.
‘Honderdzesentachtig euro.’
Ik wierp een blik op het papier.
‘Ja.’
‘Ja? Is dat alles wat je daarop te zeggen hebt?’
‘Ik weet niet wat je precies van me verwacht.’
‘Honderdzesentachtig euro aan kleding!’
Jan liet een vermoeide zucht horen.
‘Mam…’
‘Nee, Jan. Iemand moet haar dit eindelijk eens zeggen.’
Ik leunde achterover in mijn stoel.
Die zin kende ik inmiddels maar al te goed.
“Iemand moet haar dit eindelijk eens zeggen.”
Maria gebruikte hem altijd vlak voordat ze zich bemoeide met iets wat haar in geen enkel opzicht aanging.
‘Ik heb kleding gekocht,’ zei ik kalm. ‘Ik heb geen bank overvallen.’
Emma boog haar hoofd, vermoedelijk om haar glimlach te verbergen.
Maria zag er daarentegen niets grappigs in.
‘Drie blouses, een broek, een paar schoenen en een jas.’
Verbaasd keek ik haar aan.
‘Zo te horen heb je de bon grondig bestudeerd.’
‘Hij lag daar gewoon.’
‘In mijn keuken. Op mijn aanrecht.’
‘En?’
‘Je had hem ook gewoon kunnen laten liggen.’
Maria sloeg haar armen over elkaar.
‘Verander niet van onderwerp.’
‘Dat doe ik niet. Ik probeer alleen te begrijpen waarom jij mijn aankopen controleert.’
‘Omdat er eindelijk eens iemand aan Jan moet denken.’
Dit keer was ik degene die zuchtte.
Ik was al bijna twaalf jaar met haar zoon getrouwd.
En in die twaalf jaar had Maria honderden redenen gevonden om zich zogenaamd zorgen om hem te maken.
Als we een televisie kochten, was die te duur.
Wanneer we de bank vervingen, had de oude volgens haar nog makkelijk vijf jaar meegekund.
Gingen we uit eten, dan gooiden we geld over de balk.
Boekten we een vakantie, dan waren we onverantwoord bezig.
Kocht Jan bloemen voor mij, dan was dat volgens haar een volkomen overbodige uitgave.
En verscheen ik met een nieuwe tas, dan kon Maria daar rustig een halfuur naar zitten staren, alsof ze in gedachten uitrekende hoeveel geld van haar zoon erin verdwenen was.
Het vreemdste van alles was dat ze vrijwel nooit vroeg wie die dingen eigenlijk had betaald.
Ze ging er simpelweg automatisch van uit dat Jan dat had gedaan.
‘Mam, Sophie werkt,’ zei Jan.
‘Ik weet heus wel dat ze werkt.’
‘Wat is dan het probleem?’
Maria wees naar mij.
‘Het probleem is dat jij sinds je met haar bent veel meer geld uitgeeft.’
Ik lachte kort, zonder vrolijkheid.
‘Ben ik nu ook al verantwoordelijk voor wat Jan koopt?’
‘Doe niet alsof je van niets weet.’
‘Dat doe ik niet.’
‘Vroeger kon mijn zoon sparen.’
Jan legde zijn bestek neer.
‘Dat kan ik nog steeds.’
‘Zo ziet het er anders niet uit.’
‘Mam…’
‘Kijk nou eens om je heen in dit huis. Er staat voortdurend weer iets nieuws.’
Ik keek de kamer rond.
‘Wat is hier dan nieuw?’
Maria knikte in de richting van de woonkamer.
‘Die lamp daar.’
‘Die hebben we al acht maanden.’
‘Het koffiezetapparaat.’
‘Dat hebben we met kerst cadeau gekregen.’
‘De gordijnen.’
‘Die hangen hier al drie jaar.’
Emma schoot in de lach.
Maria wierp haar een boze blik toe.
‘Dit is niet grappig.’
‘Een beetje wel,’ mompelde Emma.
Op dat moment had ik het gesprek moeten afkappen.
Echt.
Maar Maria keek opnieuw naar het kassabonnetje, alsof het bewijsstuk nummer één was in een rechtszaak die zij persoonlijk had aangespannen.
‘Honderdzesentachtig euro aan kleding… Op jouw leeftijd had ik nooit zoveel geld aan mezelf uitgegeven als ik een gezin had.’
‘Ik wel.’
‘Dat zie ik.’
‘Omdat ik het me kan veroorloven.’
