“Ik heb haar weggestuurd” zei mijn man met een scheve grijns terwijl mijn vader zwijgend zijn telefoon tevoorschijn haalde

Verhalen
Hartverscheurend onrecht op een schijnbaar feestelijke avond.

— Waarom zit mijn dochter niet mee aan tafel? vroeg mijn vader zodra hij onze woning binnenstapte, zijn armen vol cadeaus.

De tafel stond propvol schalen salade waarvoor ik al vanaf zes uur ’s ochtends in de keuken had gestaan. De kerstboom fonkelde feestelijk. Alleen ikzelf ontbrak.

— Ik heb haar weggestuurd, zei mijn man met een scheve grijns. — Ze werkt mijn moeder op de zenuwen.

Mijn schoonmoeder zat naast hem met een blik alsof ze zojuist een veldslag had gewonnen. Opstaan om mijn vader te begroeten vond ze niet nodig. Mijn vader, normaal de rust zelve, haalde zwijgend zijn telefoon tevoorschijn. Wat hij daarna deed, veegde die triomfantelijke glimlach voorgoed van Maria’s gezicht.

Twee dagen eerder, op de ochtend van 29 december, werd ik wakker doordat iemand ongeduldig tegen mijn schouder duwde. Daan stond boven me en schudde me wakker: ik moest onmiddellijk opstaan, want we moesten naar het station. Zijn moeder, Maria, had besloten vanuit de provincie bij ons Oud en Nieuw te komen vieren. Volgens Daan, die ondertussen gehaast een trui aantrok, hoorde een fatsoenlijke schoondochter haar schoonmoeder persoonlijk op te halen.

Ik keek slaperig op de klok. Half acht. Buiten was het nog donker, terwijl de trein pas om 9:30 zou aankomen.

— Daan, we zijn er toch binnen een halfuur? probeerde ik hem tot rede te brengen.

Maar hij draafde al door het appartement, alsof hij geen moeder ging afhalen maar de minister van Financiën zelf.

Veertig minuten later wrongen we ons door de files van vlak voor de feestdagen, langs de kade. Opnieuw viel het me op met wat voor bijna eerbiedige stem Daan over zijn moeder sprak, alsof ze niet gewoon een vrouw was maar een wezen van een hogere orde. In drie jaar huwelijk had ik Maria door en door leren kennen: 56 jaar, econoom bij een bouwbedrijf, twee keer per week naar het zwembad, geregeld op vakantie naar Turkije, maar zodra het uitkwam klaagde ze over haar broze gezondheid.

Op het perron verscheen Maria met een plechtige air, alsof ze net van een ruimtestation was teruggekeerd. Ze nam me keurend van top tot teen op en hield haar reactie nog even voor zich.

Toen knikte ze beheerst, alsof ze daarmee meteen ook mijn vermoeide gezicht registreerde. Daan vloog ondertussen al op zijn moeder af om haar te omhelzen. Zijn vrouw leek hij op slag vergeten; mij bleven twee loodzware tassen met “eerlijke streekproducten” over, alsof in onze stad alle supermarkten plotseling waren verdwenen.

In de auto viel alles direct weer in het oude patroon. Maria nam vorstelijk plaats naast Daan, ik schoof achterin, en zodra ze klaagde over tocht door het kiertje van het raam, draaide hij de verwarming meteen op de hoogste stand.

‘Jongen, je weet toch dat mijn gezondheid niet van staal is,’ zuchtte Maria langgerekt.

In gedachten zette ik alvast een streepje. Haar eerste troefkaart lag nog vóór aankomst op tafel.

Ons appartement aan de linkeroever, een ruime driekamerwoning met uitzicht op het water, wachtte haar op met de geur van vers gebak en dennennaalden. Ik had de hele vorige avond lopen poetsen en alles laten glimmen, maar Maria inspecteerde de kamers alsof ze van de keuringsdienst kwam. Ze streek met één vinger over de gordijnroede en deelde vervolgens plechtig mee dat er stof lag. Daan lag toen al languit op de bank met zijn telefoon, vastbesloten te doen alsof dit alles buiten zijn werkelijkheid viel.

‘Sanne, waarom hebben jullie eigenlijk van die fletse gordijnen? En die vloer kraakt hier en daar ook. Vroeger hielden vrouwen hun huis tenminste nog netjes bij.’

Daarna installeerde Maria zich in de keuken, op een kruk bij het raam, een plek vanwaar ze elk gebaar van mij kon volgen. Terwijl ik onder haar scherpe blik de lunch klaarmaakte, voelde ik me een proefdier in een laboratorium. Niets bleef onbesproken: de kip sneed ik verkeerd, de tomaten waren waterig, met de peper deed ik alsof ik voor een heel leger kookte. Toen ik de komkommers voor de salade begon te snijden, klonk achter mij een diepe, veelzeggende zucht.

‘Bij mijn buurvrouw Anna heeft de schoondochter het wél begrepen. Een gouden meid. Ze kookt zo lekker dat je blijft eten, en ook haar huishouden heeft ze perfect op orde.’

Bij haar kon je zogezegd van de vloer eten, en Anna behandelde haar schoondochter alsof het haar eigen dochter was.

Ik beet op mijn tong en boog me nog geconcentreerder over de groenten. Daan bleef ondertussen in de woonkamer hangen en deed alsof hij plotseling niets meer hoorde. Tijdens de lunch pakte Maria de draad moeiteloos weer op. Ze begon aan een uitvoerige vergelijking van alle schoondochters die ze blijkbaar kende, en uit haar betoog bleek maar één ding: ik kwam op elk denkbaar punt hopeloos tekort.

Na het toetje vluchtte ik naar de keuken met het excuus dat de afwas moest worden gedaan. Daar, tussen de borden en pannen, stond ik heel even stil. Ik sloot mijn ogen en stelde me voor dat mijn schoonmoeder alweer in de trein terug naar huis zat. Veertien dagen, hield ik mezelf voor. Slechts veertien dagen. Dat moest een mens kunnen overleven.

De volgende ochtend, op 30 december, werd ik wakker van het harde klappen van de koelkastdeur. Maria was bezig met een grondige inspectie van onze voorraad. Toen ik de keuken binnenkwam, stond ze daar met mijn notitieboekje in haar hand. Op de open bladzijde stond mijn zorgvuldig uitgeschreven nieuwjaarsmenu.

‘Sanne, wat heb jij hier nou allemaal neergekrabbeld?’ vroeg ze misprijzend. ‘Russische salade, haring in laagjes, Griekse salade… Dat lijkt wel een buffet in een bedrijfskantine. Waar is de aspic? Waar is de echte gelei? En een fatsoenlijk stuk huisgemaakte rollade zie ik ook nergens.’

Ze pakte zonder te vragen een pen en begon driftig strepen door mijn lijst te halen. Mijn gerechten verdwenen één voor één, vervangen door haar eigen plannen.

‘Maria, ik heb de boodschappen al gedaan voor dit menu,’ probeerde ik voorzichtig tegen te werpen.

Ze wuifde mijn woorden weg alsof er een vlieg langs haar gezicht zoemde.

‘Griekse salade met Oud en Nieuw, wat is dat nou weer voor moderne onzin? Die kalkoen van jou schrappen we. Daar komt een gans met appels voor in de plaats. Gelei hoort er absoluut bij, pasteitjes minstens in drie soorten, en geen potjes uit de winkel. Die auberginespread maken we natuurlijk zelf.’

Er stond in dit deel geen verhalende voortzetting meer, alleen webpagina-elementen zoals verwijzingen naar andere artikelen, rubrieken en titels. Die zijn volgens de instructies weggelaten.

Bij Wieke Thuis